'De periode na de dood van de zon en alle andere hete sterren zal een tijdperk zijn dat majestueus, maar ook enigszins weemoedig zal zijn. Het zal een geschiedenis zijn die slechts bijgelicht wordt door het rode en infrarode schijnsel van zwakke sterren, die voor onze ogen bijna onzichtbaar zou zijn. Maar de sombere tinten van dat bijna-eeuwige heelal kunnen voor de vreemde wezens die zich eraan aangepast hebben, niettemin kleurrijk en wonderschoon zijn. Zij zullen zich ervan bewust zijn dat de jaren van de toekomst niet geteld worden in de miljarden die het verleden van de sterren omspannen, maar in biljoenen. (…). Maar ondanks alles zullen ze ons misschien benijden om de heldere nagloeiing van de schepping waarin we ons koesteren – want wij kenden het heelal toen het nog heel jong was.'
"Wij waren verrast. Een oudere dichter bestijgt het podium, colbertje, kalend, brildragende, sympathieke veertiger/vijftiger. En begint me daar een potje te slammen (wel met papier, maar attenooie...) Supergedicht over het chronologische verloop van een werkdag in perfecte beatpoetry. Hij ging ruim over de tijd, onze Jan, maar ja, het was één stuk. Jan kwam strak van de adrenaline van het podium af, luid applaus en algehele verbaasde bewondering viel hem ten deel."
Gijs ter Haar